Hoofdstuk 10

Na lang ploeteren en meten heb ik eindelijk een stropdas om. Van zijde in de tinten van een avondsprookje. Mijn overhemd is roze, een kleur die goed past bij het donkerblauw van mijn pak. Onder deze combinatie draag ik mijn mooiste slip. Fundamenten zijn cruciaal. Mijn charge mag niet tenondergaan in twijfel. De juiste riten dienen in acht genomen te worden. Het is oorlog, blonde krullen. Maar als je verliest zal ik je genade schenken en mijn voorwaarden stellen. Ze zullen je niet te zwaar vallen.

Pap, thee, ananassap en een compliment.
‘Dank je, Zwart-Wit.’ En nu snel verdwijnen want de baas heeft nog meer te doen. Dat laatste denk ik er alleen maar bij. Hij is ontastbaar. Ik zou onheil over mezelf afroepen als ik hem bevuilde met zulke brutaliteiten. Deuren dicht. Ademhaling beheersen. Ik geef mezelf twee minuten. Daarna moet ik opstaan. De secondenwijzer zet me onder stroom. Ik schok overeind en trek mezelf naar buiten.

Ik klop op de ruit van haar deur. Ze wendt het hoofd. Het is niet de blonde krullen van gisterenavond met die gevaarlijke lach. Het is de beschadigde blonde krullen, de versie die ik met rust zou laten. Ik verschaf mezelf toegang tot haar coupé. Een grensoverschrijding, een zonde tegen de balans, gezichtsverlies en verbanning ritselen in de kaarten. Ik ga tegenover haar zitten zonder iets te zeggen. Dom van me. Geen openingszin bedacht.
‘Vind je me een makkelijke prooi zo, geketend en somber?’

Ik ben verbluft. Niet omdat ik geen antwoord weet, maar omdat zij in feite geen vragen heeft. Ze gaat gewoon naar binnen en pakt me zonder slag of stoot. Ik vind het geweldig. Mijn lach is onomwonden. Nu is zij verbaasd. We zijn aan elkaar voorgesteld.
Het wordt heel gezellig die middag. Ieder onderwerp dat de revue passeert is gevoerd met een dronken blijheid die nergens tegenop botst. We raken elkaar aan. De gloed van eerste dingen. Een voorzichtige kus volgt. Regenwater.

Het wordt laat, Zwart-Wit kan me ieder moment komen zoeken. We nemen afscheid zonder verdere afspraak. Ik ga ervan uit dat dit avontuur wordt uitgesponnen. Tot een begin of einde.
Misschien vergis ik me, maar het lijkt of Zwart-Wit koeltjes reageert op mijn vrolijkheid. Ik kan niet ophouden met neuriën en beantwoord zijn vragen en instructies met een woordeloze melodie.

‘Vergeet niet wat ik gezegd heb.’
Geen ijzer. Ook niet als ik eraan denk. Ik trappel met mijn voeten onder de dekens en geniet van de frisse stijfheid van de lakens.
‘Braaf zijn,’ zeg ik tegen mijn hoofdkussen. In het spookachtige licht dat deze gescheurde waaier bestrijkt, verschijnt een man met in zijn hand een pistool. Hij klikt het magazijn vast, richt en treft doel. De kogel boort zich in mijn keel. Ik voel geen pijn. Wat ik voel is de heftigheid waarmee het projectiel in mijn weefsel rondtolt.

Uit: 

usercrossmenuchevron-down