(Mag ik mens zijn? Aflevering 538)
Na mijn zestigste werkte mijn ontkenning van de sterfelijkheid niet meer. Hij gaf er de brui aan en rekende me voor hoeveel tijd ik ongeveer nog op aarde zou hebben. Cognitief wist ik al op te jonge leeftijd dat de dood (wat dat begrip ook moge inhouden) toe kon slaan. Dat ik op een dag uit de wereld zoals ik die beleef, zou worden weggerukt. Destijds ontwikkelde ik een paniekstoornis en er was geen vader of moeder om me gerust te stellen. De een was dood, de ander gevlucht.
En toch, toen mijn moeder na een jaar terugkeerde, bloeide ik weer open zoals kinderen dat kunnen doen. De schade die in hen is aangericht komt rond de adolescentie weer in beeld door symptomatiek die vaak niet begrepen wordt: noch door het kind dat je weer moet leren spreken in jezelf, noch door de omgeving. En dan kan de lange tocht langs genezers en charlatans beginnen of niet. De reconstructie van mijn geheugen legt het af tegen de tijd die voort stroomt als een beek, met versnellingen en oponthoud, hindernissen en kalme wendingen.
Voor mij is het bestaan, hoe honkvast ik ook ben, altijd nomadisch. De ziel, geest of een andere bestuurder voert me langs impulsen, interactie, noties waar ik nooit over uitgedacht raak. Als jonge man fantaseerde ik over een eindstreep, een fauteuil, een punt van waaruit ik het verleden kon overzien en de vruchten zou plukken van mijn ervaring. Maar zo werkt de natuur, die ik als volledige aardse autoriteit ben gaan zien, nu eenmaal niet.
Ik vraag me af hoe de anderen met deze dynamiek van fantaseren en tastbare werkelijkheid omgaan. Ieder individu is zijn eigen alchemist. Laat ik het daar maar bij houden, want het leven gaat sneller tijdens het wachten op de vervulling van verlangens en ik heb er nog flink wat om mee aan de slag te blijven. Aanvankelijk, zoals bij ieder rouwproces doorliep ik de fases van ontkenning, marchanderen, woede, acceptatie en rouw. Wat een levenswerk is dat: de ultieme rouw om de eigen vergankelijkheid.
Sinds ik daar, zo lijkt het toch, doorheen ben en heb aanvaard dat mijn tijd beperkt is, wil ik het roer nog één keer omgooien. Als de angst voor de dood is verdwenen, als de bestaande formules niet meer waren dan dat, ontstaat er een enorme ruimte. Aanvankelijk deinsde ik daar nog voor terug. Ik vermoed dat veel mensen verkiezen om in de veiligheid van wat bekend is te blijven, zelfs als dat hun levens verpest. Voor mij bleef de vraag hangen: vervolg jij je reis in het tempo van je omgeving of heb je meer onder de motorkap?
Mijn huis, dat me beschermt, me onmiddellijk geruststelt of bij me is, wanneer ik in een impasse verkeer, stelde zich vrijgevig en liefdevol op: het maakte me niet bang voor de grote buitenwereld, ondanks de veiligheid die het mij biedt, was het bereid mij de wereld in te laten trekken. Om dat te bekostigen, zou ik er afstand van moeten doen, het verkopen aan iemand die er hopelijk goed voor zou zorgen. Daar had ik gelukkig nog alles over te zeggen.
Ik leefde met de projectie dat iedereen hier graag zou wonen. Dat ik het Bellamypark maar op hoefde te lopen om het van de hand te doen. De makelaar zei me: “Het kan even duren. Zo’n monumentenpand is een niche in de markt. De koper loopt al rond, maar het vraagt om een speciaal soort mens dat valt op wat voor jou zo natuurlijk aantrekkelijk is.” Ik wist het natuurlijk weer beter, maar hij zei het zo vriendelijk. Alsof ik zes was en voor mijn eerste dag naar de lagere school ging.
Wat er met mij gebeurt, wanneer ik in afwachting dreig te geraken, is dat mijn creativiteit op filosofisch niveau een versnelling hoger gaat. Het kan morgen verkocht zijn of veel te laat in de belangstelling komen. De kwaliteit van leven is belangrijker voor mij dan het verwezenlijken van fantasieën waarbij ik van anderen afhankelijk ben. Iedere dag komt er, dankzij mijn voorgenomen afscheid, een inzicht bij. Ik kijk er met enige verbazing naar. Nu alles is opgeruimd en in dozen is verzegeld, ontstaan er nieuwe mogelijkheden. Dat kan alleen wanneer ik niet zelf op mijn voordeur bons.
De verzamelingen waaraan ik zo gehecht was, worden nu op een andere manier speelgoed. Ik ken de markt goed wat dat betreft. Wanneer ik alles verkoop waar ik nooit naar luister of nooit meer naar zal kijken, denk ik het geheel met tachtig procent te kunnen verminderen. Het was altijd een zorg voor mij aan wie ik mijn schatten zou nalaten. Ze zijn zo zorgvuldig verzameld en onbeschadigd. Ze verdienen een liefdevol onderkomen.
Ik kan wachten tot Spanje aanbreekt en vanuit daar beginnen met het uitzoeken van wat ik bij de groothandels ga onderbrengen of nu al uitzoeken wat de waarde is van de muziek die ik niet draai en de films die ik niet meer hoef te zien. Je moet de weg weten in het land van de ‘completisten’. Tegenargumenten als: ‘ze geven de Cd’s en Dvd’s zowat weg bij de kringloop’ zeggen mij niets. Ik weet wat er geboden of gevraagd wordt op Amazon of Bol.com voor de zeldzaamheden die ik heb.
Wat er ook gebeurt, ik ben met mij en wij vinden het avontuur in de kleinste hoekjes of de eeuwige jachtvelden.
(Mag ik mens zijn? Aflevering 537)
Lief Dochterwolkje, papa had zelf geen vader en toen jij in mama’s buik groeide, waakte ik over jullie als een havik. In het verkeer, maar ook thuis. Zo zorgde ik ervoor dat we alleen maar boodschappen deden bij de natuurvoedingswinkel, want mama gaf wat zij at immers door aan jou. Ik maakte een ‘playlist’ met hele vredige, prachtige muziek die we afspeelden via de koptelefoon waarvan de ‘schelpen’ op mama’s buik rustten, zodat je kon baden in het mooiste van de kunsten.
Als je sliep, luisterde ik tussen de spijltjes van je ledikant of je nog ademhaalde. Bij het verschonen van je luiers, brak het zweet me uit. Deed ik het wel goed? Ik leerde over rompertjes en andere woorden die bij baby’s hoorden. Ik zong liedjes voor je en liep vaak urenlang met je in mijn armen, wanneer je huilde, dag of nacht. Mama wilde niet te veel bezoek hebben en de eerste weken beperkten we dat, op een enkeling na. Ze was zo bleekjes en moe. Ik zorgde voor jou én haar.
Ik was jullie schaduw en wat ik als kind had moeten missen, zou voor jou nooit ontbreken: een vader die alles voor je wilde doen. Je had mijn leven mogen hebben, je kreeg al mijn tijd, mijn liefde, alles wat ik bezat was van jou of zou aan jou gaan toebehoren. Jij was de opening naar alles in mij dat gewond kon raken, maar dat nam ik voor lief. Je was mijn naakte hart dat over straat liep en alleen via jou of mama, kon ik geblesseerd raken.
Ik weet nog hoe we naar het ziekenhuis reden toen mama van jou ging bevallen. Het was 15 mei, 1992 en de hemel was vol lichtblauw en goud. Je kwam snel, maar heel even was je hartje niet te horen en ik vermomde de heftigheid van mijn angst tot een bezorgde blik. Toen je op het laken landde, zei de kraamzuster: “gefeliciteerd, u heeft een dochter”. Ik sprak je naam hardop uit (mama had mij laten kiezen): Zoë, dat voor ‘leven’ staat. Je draaide je hoofdje naar mijn stem toe en ik was zo trots.
Toen ik je voor het eerst vasthield, was je het meest breekbare in mij. Een onhandige, overbezorgde man die werd gedoopt tot vader. Ik keek naar de onverwachte schoonheid van je navelstreng. Een perfect vervlechte verbinding met mama’s buik in blauwe en roomkleurige tinten en vroeg aan de verpleegsters of ik die mocht meenemen. Dat werd toegestaan. Je grootmoeders wachtten in de hal en stonden aan weerskanten van het bed waarin mama jou tegen haar borst hield en haar traantjes liet vloeien.
Dit huis leerde jouw stemmetje kennen, je eerste woordjes, voelde je eerste stapjes. Je was zo snel. We moesten altijd oppassen dat je er niet vandoor ging. Als ik je optilde, holden je beentjes gewoon door. Wat een levenslust. Ik praatte tegen je met mijn gewone stem, omdat je mijn gelijke was. In je hele leven heb ik je nooit voor iets gestraft. “Dat was ook niet nodig”, zei je zelf toen je wat groter werd. Mijn mooie, wijze meisje. Je begreep dingen die anderen kinderen niet toedichtten.
Maar ik wist van jou, zoals ik me mijzelf herinnerde van kleins af aan. Toen mama je meenam, na twee jaar, vocht ik om in leven te blijven. Ik duwde mijn verdriet de deur uit en speelde met je, sliep wanneer jij sliep (je toekomstige grote bed stond naast je ledikantje. Het was zwaar, want ik miste mama verschrikkelijk en ik was bang voor de schade die je zou oplopen. Al mijn psychologieboeken waren daar onverbiddelijk over. Als je wilde dat ik honderd kaarsjes aanstak in de keuken deed ik dat.

Dit huis hangt vol vergrote foto’s die ik van je nam op het strand waar ik je leerde vissen in de poelen met je handjes, waar ik je leerde hoe je krabben kon vangen en oppakken, waar we voetbalden en je bij mij op schoot je boterhammetjes opat.
Aan de keukentafel vertrouwde je me toe dat je bang was om iets te breken. Je bekertje of bordje. Papa haalde toen het servies van zijn oma van de zolder en dat hebben we toen samen, stuk voor stuk, aan barrels gesmeten op het achterplaatsje. Ik was uren later nog aan het opruimen.
Toen je twaalf werd, kwam je meteen weer bij mij wonen. Ik richtte je kamer in met oplichtende sterretjes aan het plafond, draaiende toverschemerlampjes, een televisie, gordijnen met zonnetjes en al het speelgoed dat je maar wilde. Je was nooit aan het zeuren om iets, maar vond het heerlijk om cadeautjes van mij te krijgen. Dit huis is vervuld van de puurheid die je in je draagt. Ik heb alle details voor je gefotografeerd en jij hebt gezegd dat ik je zegen heb om naar Spanje te gaan.
Dat je het goed vind, wanneer ik eindelijk doe wat ik altijd al wilde. Je komt het huis nog gedag zeggen voor ik ga. Als ik dan in duizend stukjes val, zal jij er vast wel een paar van bewaren.
Ik heb je lief Wolkje, jij en ik wonen in de wagon waarin de tijd die we samen doorbrachten voor altijd leeft.
(Mag ik mens zijn? Aflevering 536)
Synchroniciteit of niet: meneer Feenstra die als hobby had om monumentenpanden te restaureren, is deze week overleden. We nemen allebei afscheid van iets dat ons verbond, maar nooit samenbracht.
Hoewel mijn gevel uitzonderlijk mooi is en mijn rijksmonument als enige in de straat wordt vermeld in de wandelroute die de VVV verstrekt aan toeristen, is de verdeling van de ruimtes binnen minstens zo bekoorlijk.
Zo zijn er twee toiletten, waarvan degene achterin de lange hal aan het zicht onttrokken wordt door gitaarversterkers. Een prima plekje voor de gevoelige mens die nog verlegen wordt, wanneer hij iets langer op het ‘gemak’ verblijven wil, maar de meest interessante retirade is het toilet dat zich halverwege de trap naar de woonkamer bevindt. Het wordt afgesloten met twee klapdeurtjes en leidt bij mijn cliënten tot gegiechel en verwarring vanwege de ongewone plaatsing.
En er zijn meer hoekjes in het pand die zich onverwacht onthullen, zonder hinderlijk te zijn. De kelder moet je van buitenaf in. Twee luiken en twee klapdeurtjes met een slot daarboven openen de weg naar een ruimte die zich tot onder het einde van het achterplaatsje uitstrekt. En je kunt er nog staan ook. Voordat ik een deel van mijn verzamelingen daar in de rekken plaatste, heb ik eerst een nieuwe vloer laten storten en een lucht aan- en afvoer laten installeren. Dan blijft het droog. Zulke dingen worden niet vermeld, maar voor een man met zoveel collecties als ik heb, een aangename bijkomstigheid.
Voor de zolder geldt hetzelfde. Mag evenmin worden meegerekend (als ik het goed heb) als woonruimte, maar ook deze strekt zich over het hele huis uit en is zo om te toveren tot volwaardige kamer. Ik heb er een bank staan, een breedbeeld televisie en een set boxen (5.1) waarop je ongeveer de ondergang van de wereld kunt beluisteren. The Rolling Stones live, klinken daar erg dichtbij en de buren hebben er geen last van, want ik heb de zolder laten voorzien van geluidsisolatie.
Tigger warning: vaak worden grote luidsprekerkasten niet op prijs gesteld door een van de twee echtelieden. Gelukkig heb ik me daar nooit iets van aangetrokken. Mijn bovenste woonkamer (niet de zolder!), is mijn spreekkamer en ‘man cave’. Toen ik twee sub-woofers aansloot op mijn Dolby Atmos versterker en beschikte over 7 staande boxen, 4 plafondluidsprekers en twee baskasten, vroeg mijn alleraardigste buurman of ik wellicht een nieuwe geluidsinstallatie had. Die arme mensen. Heb één sub-woofer verwijderd en gebruik de zolder voor het hardere werk. Bonzende buren, het doet iets met mijn onvermoede gevoel voor fatsoen.
In die bovenste woonkamer heb ik met opzet geen tafel gezet. In de eerste plaats omdat ik houd van het ruimtelijke gevoel dat ontstaat, wanneer je niet allerlei hindernissen hoeft te nemen. Een paar bijzettafeltjes volstaan voor het bezoek. Zelf eet en drink ik van de grond. Nou ja, ik zet mijn koffie of limonade op de vloer en houd mijn bord op de schoot. Van mijn huis mag ik een kind zijn dat uit de fles drinkt, chips uit de zak eet en de jam van zijn mes likt. In de tweede plaats wil ik de lichaamstaal van mijn cliënten kunnen lezen.
Het achterplaatsje wordt gezien als een luxe. Kennelijk hebben veel buren die niet. Zelf zit ik er zelden, saaie huismus als ik ben. De zon staat er van 10.00 u. tot 14.00 u. op, maar tegen die tijd ben ik al verkoold. Soms, als de zon mij weer naar buiten wil ranselen, trek ik alle gordijnen dicht en doe de schemerlampjes aan. Een heel verschil met toen de dieren nog spraken. Dan was ik niet van het strand te branden, maar destijds maakte ik nog deel uit van een familieleven.
Op de begane grond bevindt zich de woonkeuken, waar minder gekookt wordt en meer geleefd. Lekker kneuterig aan de lange tafel zitten. ’s Morgens beginnen met twee ‘cups’ windkracht tien in mijn Winnie de Poeh-beker (blijf eraf!) en daarna décafé. Als kind maalde ik bij mijn grootmoeder de koffie in haar keukentje, bij mijn moeder hadden we een elektrische koffiemolen, eenmaal op mijzelf was ik macro-hysterisch gaan eten en vermeed ik cafeïne. Na mijn verhuizing naar de Hellebardier, had ik oploskoffie voor de gasten in huis. Twee lieve, getrouwde cliënten deden mij een senseo-apparaat cadeau en nu heb ik al weer heel lang nespresso ‘what else?’.
Uit de voorgaande paragraaf moet toch blijken wat een schilderachtig en afwisselend leven ik lijd. Dat zich nog geen biograaf heeft gemeld om mijn leven in een fraaie biografie te vervatten, is mij dan ook een raadsel, maar niet getreurd. In Spanje schrijf ik straks de laatste hoofdstukken van ‘De P.T.S.S. van de liefde’ (ik heb al een veel betere titel, maar die houd ik geheim, boeiend, ja) in het Spaans, vind daar een grote uitgever en word in tweeënvijftig landen gepubliceerd.
‘You can’t keep a good man down’
(Mag ik mens zijn? Aflevering 535)
Voordat ik in de Hellebardierstraat ging wonen (1982), debuteerde ik al in Het NRC-Handelsblad met ‘het gedicht van de week’, een rubriek die uiteindelijk ophield te bestaan. Ik was zo trots dat ik alle NRC/Handelsblad-kranten van die dag kocht, uitdeelde en een drietal zelf behield. Dit was in 1981 en ik was drieëntwintig. Het betrof een heel eenvoudig gedichtje dat later zou verschijnen in mijn debuutbundel bij Nijgh & van Ditmar (destijds nog gevestigd in ’s-Gravenhage):
‘Strandwandeling
Mooi die zee
zei ze
net de kleur van mijn ogen
Ja
zei ik
de koude wind
deed je lichaam schokken
maakte je neus rood
op de terugweg vroeg ze
hebben ze echt die kleur
ja liefje
zei ik
precies die kleur’
(uit: ‘Romantische Gedichten, Nijgh & van Ditmar, 1985)
Ik was in het bezit van een typemachine (Olympus) en tikte mijn gedichten uit op A-viertjes, gebruik makend van typex.
Hans Sleutelaar (ook wel bekend als ‘de zwijgende dichter) vormde samen met Hans Verhagen, Cornelis Bastiaan Vaandrager en Armando de redactie van ‘De Nieuwe Stijl’. Sleutelaar was enthousiast over mijn eerste gedichten, die ik hem toestuurde met het verzoek er zijn mening over te geven. Hij draalde niet en stuurde ze door naar Het NRC/Handelsblad. Wat een voorspoedig verloop.
Sleutelaar ging in opdracht van Geert-Jan Lubberhuizen, destijds directeur van uitgeverij ‘De Bezige Bij’ langs bij Jan Cremer in New York om laatstgenoemde bij te staan tijdens het schrijven van ‘Ik Jan Cremer, (de onverbiddelijke bestseller)’. Jan was handig met de kwast, leefde van zijn kunst en was tevens een fabelachtige verteller. Een stilist was hij echter niet en daar schoot Sleutelaar te hulp.
Toen ik, een jaar na mijn debuut, verhuisde naar ‘de Hellebardier’, zette ik een zelfgemaakt bureau neer in mijn woonkamer. Ik plaatste het tegen de radiator onder de vierkante ruitjes in het linker raam, uitkijkend over de tuin vol stokrozen van buurman Jan. Tweeënveertig jaar later staat die schrijftafel nog op exact dezelfde plaats. Ik schreef mijn zes gepubliceerde boeken eraan en nog vele honderden columns, songteksten en duizenden gedichten.
Mijn regels worden geboren in de vroege morgen of de late avond. Stilte is voor mij essentieel bij het schrijven. Muziek zou dat onderbreken, gepraat van anderen evenzeer. Dan is ineens de toverkracht uit mij verdwenen. De late avonden zijn mij het meest dierbaar. Dit huis koestert mij dan, mijn lichaam is omgeven en veilig. Mijn gedachten deel ik met de onschuldige duisternis van dit middeleeuwse straatje. Mijn huis geeft ruimte aan mijn kern, een heelal waar ik de mooiste sterren uit de lucht pluk.
Mijn werk als dichter en psychotherapeut neem ik mee naar Spanje, mijn ziel verblijft in mijn lichaam en reist mee. Ik dank dit huis voor de bescherming, de intimiteit, het serene dat het mij bood. Hoewel ik een melancholische man ben, heb ik hier mijn beste momenten beleefd. Mijn huis en ik hebben onszelf op elkaar afgestemd. Als dat zweverig klinkt, dan zij dat zo. Het afscheid zal me niet zwaar vallen. Dat heb ik de afgelopen twee jaar al gedaan. Zo lang had ik ervoor nodig om het verlangen te ontwikkelen vrij te breken uit de herhaling waar Vlissingen mij mee verstikt.
Toen ik in dit pand hier kwam wonen, rookte en dronk ik al niet meer. Er is nooit gerookt binnen de muren. Ik heb nooit huisdieren gehad. Het huis is net zo schoon als toen ik mijn eerste huwelijksnacht met haar doorbracht.
Ik hoop dat je een bewoner krijgt die ontvankelijk voor wat jij te geven hebt. Je zult altijd in mij verblijven. Je was mijn toevlucht, mijn rustpunt, mijn geborgenheid. Wat een geschenk.
(Mag ik mens zijn? Aflevering 533)
In een vloek en een zucht had mijn moeder het pand aan de Hellebardierstraat 6 gekocht. Ze was een vooruitstrevende vrouw die als arbeiderskind het tijdens het tweede jaar van de huishoudschool daar voor gezien hield, leerling kapster werd bij ‘Morsheim’, destijds een toonaangevende salon in Vlissingen, en binnen de kortste keren hoofdkapster werd. Mijn moeders naam was Christine en de klanten vroegen altijd om ‘Chrisje’. Later werd dat ‘Tineke’ en tenslotte eindigde ze weer bij Christine.
Ze was niet te behouden en ging in Vlaardingen werken bij meneer en mevrouw Berkhout. Ook daar maakte ze furore. Toen ze mij kreeg en huisvrouw werd, vond ze dat ook best tot mijn vader vanuit Dunbar belde, waar hij met zijn schip lag. Ooit was hij Groningen ontvlucht, kreeg vanwege zijn extreem hoge I.Q. (144) een beurs van de staat en ging studeren aan de Hogere Zeevaartschool te Vlissingen. Het liefst voer hij op Indonesië en Japan. Tot hij ziek van heimwee werd.
Mijn moeder zei: “Kom maar naar huis schat. Ik zet hier een kapsalon op, dan kun jij rustig rondkijken voor een baan aan wal.” En zo geschiedde. Binnen de kortste keren draaide haar zaak als een tierelier en ging ze de huizenmarkt op. Een vrouw die haar eigen zaak bestierde en daarnaast in onroerend goed ging speculeren, was een zeldzaamheid in het Nederland van begin jaren zestig.
Daarnaast las ze alle Russen, de grote Amerikanen en Engelsen en de Fransen. Ze schreef zonder spelfouten, was een perfecte stilist en redigeerde met mij alle literaire boeken die van mij werden gepubliceerd. Twee jaar huishoudschool. Ze ging altijd haar eigen gang en liet zich door geen enkel systeem de les lezen.
Maar goed: mijn vader was al lang dood, ik had nog geen vaste baan en mijn nieuwe, eerste en enige eigen huis moest worden ingericht. In mijn grootmoeders flat stond een champagnekleurige driezitsbank. Die nam ik mee, net als de twee bedden die ik daar had, mijn servies en keukengerei, wat schemerlampen, mijn geluidsinstallatie, gitaren en enorme langspeelplatencollectie. Ik zou bijna de televisie, de ijskast, de stofzuiger en mijn stripboekenverzameling vergeten.
Mijn moeder gaf me onze oude eettafel mee. Zo’n exemplaar dat je kon verlengen door twee onderhangende boorden te ontgrendelen. Houten eetstoeltjes had mijn grootmoeder ook. Was ik vergeten te noemen. De keuken die er ‘stond’, was simpel en buitenom een gasstel had je toen nog niet veel nodig. Als kind dat was opgegroeid tussen de vrouwen kon ik prima voor mijzelf koken. Ik vroeg slager Schouwenaar op het aangrenzende Bellamypark om twee kilo kipfilet voor mij te vermalen in zijn gehaktmolen. Daar maakte ik ballen van en daaruit bestond, aangevuld met zilvervliesrijst, mijn dagelijkse hoofdmaaltijd uit. Zou het zo weer doen.
Mijn vader had ooit een set antieke lederen stoelen gekocht met bijpassende tafel. Erg mooi. Pasten ook goed bij de champagnekleurige driezitsbank. Mijn moeder had een schemerlamp, die in de jaren vijftig modern was geweest, op zolder gestald. Mocht ik ook hebben. Vanaf de bank keek ik naar mijn televisiescherm, speelde ondertussen gitaar en dacht na over de invulling van mijn interieur. Ik werkte ieder hoekje af rondom een sluitstuk en nam daar maanden de tijd voor.
De kleur moest kloppen, de vormgeving moest aansluitend zijn. Ik had een Japanse hoek met porseleinen vazen en zijden bloemen en kocht bij o.m. De Bijenkorf wat ik passend en betaalbaar vond. Kleine eilanden verrezen, allemaal in overeenstemming met de harmonie die er tussen mij en het huis bestond. Toewijding en aandacht, oog voor detail en net zo lang doorgaan tot de compositie klopte. Ik kon dan intens gelukkig zijn. Gitaarspelen, televisiekijken en genieten van mijn ‘hoekjes’.
Heb dat vermogen tot inrichten en combineren van kleuren en stoffen ook te danken aan de vrouwen die mij opvoedden. En natuurlijk had ik mijn mannendingen. Drie voetballen met pompje in de schuur, mijn vaders houtsnijwerk uit Indonesië, mijn geluidsapparatuur met giga-luidsprekerboxen en solide versterkers, mijn eerste auto (een Volvo 244, donkerblauw) en een piepklein badkamertje: douche, wastafel, alles netjes betegeld. Net als de keuken altijd laten staan.
Na mijn moeders dood in 2012, schafte ik in 2014 o.a. een nieuwe keuken aan van de erfenis. De deurtjes begonnen uit de oude kastjes te vallen. Volgens de makelaar zet iedereen meteen zijn eigen keuken in een zojuist aangeschaft huis. Doe het niet, die van mij is zo mooi!
Je badkamer kun je vergroten door de muur weg te kappen naar de rommelkamer. Zelf vond ik een douche met wastafel altijd voldoende, maar ik ‘badder’ niet graag en lang tafelen kan me ook gestolen worden.
Maak een reis naar de Noordpool of trek met je lief door de V.S. in de grootste bak die je kunt huren en behoud de bestaande keuken. Vier het huis, vier het leven!
Meindert, zonnig type.
(Mag ik mens zijn? Aflevering 531)
Tijdens de eerste vijf jaren van mijn leraarschap, was het onmogelijk om een vaste baan te bemachtigen.
Destijds stond ik voor de klas bij ‘De Wellinge’. Hoewel ik nog niet was afgestudeerd, had mijn moeder me geattendeerd op een vacature daar. Het volstond wanneer de docent een gevorderd student was, aangezien het de vervanging van een zieke ‘collega’ betrof en het schooljaar al half voorbij was.
Meer dood dan levend had ik mij naar de Kruisweg begeven. Ik was gestopt met drinken en had last van de ontwenning. Iedere dag werd ik geterroriseerd door paniekstoornissen die zich voornamelijk uitten in een hyperventilatiesyndroom. De eerste nachten van mijn ‘cold turkey’ was ik mijn bed uitgedreven en had schokken door mijn hele lichaam ervaren. Omdat de angststoornissen zo hardnekkig post vatten, raakte ik dermate neerslachtig dat ik een depressie had ontwikkeld.
Dat ik waarschijnlijk dood neer zou vallen voor de klas, nam ik op de koop toe. Ik was eenentwintig en in mijn laatste studiejaar. Er waren nog wat tentamens die ik succesvol moest afleggen om mijzelf als volledig bevoegd docent Engels te mogen laten registreren. Natuurlijk sloeg ik de raad van de rector in de wind om niet te populair om te gaan met de leerlingen. En aanvankelijk ontvingen ze mij met vriendelijkheid en grote belangstelling. Drommen meisjes liepen voorbij mijn lokaal.
Welkom in de wereld van het harde leven van de leraar. Na een paar weken hadden de ringleiders van de klassen redelijk goed in de peiling dat ik te veel tolereerde en het uittesten begon met steeds groter wordende grensoverschrijdingen. Het kostte mij maanden van bittere strijd om de orde weer in handen te krijgen en mijn lessen ongestoord te draaien. Sommige vervangers troffen het slechter. Ik zie ze nog wenen in de docentenkamer. Volledig ontgoocheld dat ze ‘het’ niet aankonden.
Naast dat ik structuur had weten af te dwingen en mijn reprimandes en strafmaatregelen vrucht afwierpen, kreeg ik ook een goed gevoel over mijzelf. Dat was de ultieme paradox: de hel ingaan, terwijl ik nog in ontwenning was, om er vervolgens in te gedijen. Als leraar was ik weer van enige waarde en genoot zelfs aanzien. Een heel verschil met dronken in een portiek liggen. En de fameuze structuur van rust, reinheid en regelmaat deed de rest.
Ik woonde inmiddels een paar jaar in de voormalige flat van mijn lieve grootmoeder die naar het bejaardentehuis was verbannen, omdat ze medische zorg behoefde en soms flauwviel of aanvallen kreeg waarbij ze grimasseerde. Ze was pas eenenzestig. Ik herinner me hoe eenzaam ze was daar en hoe mijn bezoekjes meestal eindigden, wanneer ze weer een aanval kreeg en een verzorgster mij haar kamer uitwerkte. Mijn redster van het eerste uur en ik kon niets voor haar terugdoen.
Mijn briljante (dat was ze werkelijk) moeder had mij geannexeerd als onderdeel van zichzelf (in psychologisch jargon was ik haar narcistisch verlengstuk), maar ze deed dat vol liefde en had er geen notie van dat ze mijn ontwikkeling deels verstikte. Ik wist ook van toeten noch blazen in dat opzicht en liet mij in de watten leggen. Het leverde ons ook veel op. We waren innig met elkaar, konden elkaar lezen en er was een zee aan liefde. Op een dag vond ze dat ik rijp was voor een promotie.
We gingen op huizenjacht. Van wat ik verdiende kon ik net mijn rekeningen betalen, eten en Spa Rood drinken tussen mijn drinkebroers, dus verhuizen was niet in mij opgekomen. Destijds werd ik bij het aanbreken van iedere zomervakantie ontslagen en bij de aanvang van het nieuwe schooljaar weer aangenomen. Zo erbarmelijk was de rechtspositie van vervangers destijds, dus van een vast salaris kon evenmin sprake zijn.
Mijn moeder zou een huis kopen, als een geschikt exemplaar zouden vinden, en ik zou de hypotheek op me nemen zodra ik een vaste baan kreeg. Ik vond het doodeng. Zoveel geld ophoesten in een mensenleven. Hoe deed iedereen dat? We hadden vier huizen bezichtigd en ik vond het maar een grauwe bedoening. Tot we aankwamen bij de Hellebardierstraat 6. Ik was inmiddels vierentwintig, maar meteen onder de indruk. De gevel was prachtig en mijn moeder noemde het pand later ‘een bruidje van een huis.’
De makelaar ging ons voor en overal was licht. Het huis had aan weerszijden zoveel ramen! En dan die middeleeuwse balken. Wat me echter het meest trof, was de sfeer die dit lege pand had. Zo verwelkomend. Tot mijn stomme verbazing ontroerde het me. Hier was ik thuis als volledig onbekende. Een van de vorige eigenaren was een man geweest die het restaureren van monumentenpanden als hobby had. Mijn moeder en ik verborgen ons enthousiasme.
Beter de makelaar in het ongewisse te laten. Daar zijn ze zelf immers meester in.
(Mag ik mens zijn? Aflevering 479)
Mensen van vijfenzestig jaar of ouder, kansloze vrijgezellen met een handicap, mensen die overduidelijk worstelen met hun seksuele identiteit etc. De lijst van mogelijke prooien is eindeloos. Wij, het opgejaagd wild, zijn in ‘databases’ opgeslagen en digitaal misbruikt, zelf doorverkocht! De nieuwe slavenhandel is natuurlijk van alle tijden, maar nadat ik vijfenzestig was geworden ontvouwde zich ineens een nieuwe vorm van ‘trafficking’ aan mijn mild toenemende interesse. Vanavond ontving ik – tussen de vele vriendschapsverzoeken die ik krijg van jonge, schaars geklede vrouwen – een iets grensverleggende invitatie:
6 u ·
Ik wil jou berijden. Ik wil erop rijden
je gezicht en je staart
mijn privé-account : https://l.wl.co/l?u=https://n9.cl/r6x80e
Er stond een foto bij (zie bijlage) van het soort waarvan ik dagelijks getuige mag zijn op FB. Volgens de richtlijnen van een of ander orgaan (ja, geef mij wat woorden en…), val je in de categorie van gerontofielen, wanneer je er zin in hebt om mannen of vrouwen vanaf 65 (terwijl jij beduidend jonger bent) te bespringen, hun piepend karkas aan te moedigen om het schier onmogelijke tot leven te brengen en daarbij zelf aan je gerief tracht te komen, wat dat dan ook moge inhouden. Laten we het houden op het lauwwarme vloeien van de honing uit de lotus.
Ik toonde een keer een foto van mij en mijn moeder in bikini op het Vlissingse badstrand. Ik stond, zoals toen nog acceptabel was, op éénjarige leeftijd poedelnaakt naast mijn moeder met haar fraaie, enorme borsten gevangen in het katoen dat ze ter bedekking had omgeknoopt. Facebook zette mij, een half jaar na het plaatsen van deze beeltenis, op het strafbankje omdat mijn piemeltje te zien was geweest. Maandenlang werden mij allerlei privileges ontnomen en werden mijn publicaties nu eens niet door een robot gescand, maar door iemand die dacht een mens te zijn.
Mij best. De wereld is krankzinniger dan ooit. Hoe meer mensen, hoe meer gekte. Gooi er nog een stel fundamentalisten en andere machtswellustelingen tussen die het volk intimideren en het is gedaan met het handjevol mensen dat nog over een gezond verstand beschikte. Het valt niet mee om nog ergens verbaasd over te zijn. Herkent u dat ook? Of rolt u nog van de ene morele verontwaardiging in de andere? Hoe het ook zij, volgens mij is FB opgekocht door hetzelfde slag dat grote voetbalclubs met een rijke historie toevoegt aan hun prijzenkast.
Zouden zij er weet van hebben dat het wemelt van de pornografische, zeer toegankelijke beelden op hun platform? En hoever stond dat verwijderd van datgene waar ik voor ‘bestraft’ was. Ik dwaal af. Houd je gedachten toch eens bij de seks man! Soms moet ik mijzelf dat soort bevelen geven. Zo houd ik ook mijn geslachtsrijpheid bij. Af en toe ga ik er goed voor zitten en kijk naar ‘Pornhub.com’. Meestal wordt mijn rechterarm zo moe dat ik het voor gezien houd en ongezien naar boven strompel of de stoeltjeslift neem.
Als aandeelhouder van Netflix wil ik met name de treurige ouderen attenderen op een bijzonder interessante reeks documentaires. Als u zo’n verlegen man bent die ingaat op de gehoopte seksuele interesse die ineens naar u getoond wordt, ga er dan vooral op in. Zit er niet mee dat je door wat credits te kopen een conversatie met een ‘bot’ hebt die via A.I. precies uitzoekt en zegt wat u opwindt. Zo kun je voor een paar honderd euro een heerlijke erotische avond hebben met een raar mannetje dat verstand heeft van computers en andere levenloze sekspartners. Gerontofilie, necrofilie en digi-erofilie.
Om terug te komen op Netflix. Ze vertonen daarop een documentaire die als titel heeft: ‘Ashley Madison: Seks, lies & Scandal.’ De documentaire volgt de diverse betrokkenen bij de schandalen rondom het bedrijf, dat nog steeds goede zaken doet en claimt zevenhonderd miljoen cliënten te hebben. Hun slogan luidt ongeveer: “Waarom zou je jezelf kapot vervelen bij degene met wie je het al lang niet meer doet?” Veel beroemdheden, bekende politici en ook ouderlingen zijn of waren lid. Echt een ‘must see’!
Een andere goede tip, wat documentaires over de huidige seksindustrie betreft is: ‘Money Shot: The Pornhub Story.’ Onder die titel wordt het volgende vermeld: “activisten proberen de site te stoppen. Sekswerkers vechten voor hun baan (de beelden die dat bij mij oproept…). Welkom in de oorlog tegen porno en de website waar het allemaal om draait.”
Over een paar jaar is er naast de ‘S.O.A.-kliniek’ ook een testcentrum waarbij je kunt laten uitzoeken of je geliefde een robot is. Spannend toch?
“Mag ik mens zijn?” aflevering 31
In ‘Gemengde gevoelens’ (1992) zegt Ethel Portnoy op blz 10:
“In tegenstelling tot sommige feministen geloof ik niet dat vrouwen beter zijn dan mannen. Ze zijn precies even leugenachtig, lui, machtswellustig en slecht. Maar ik geloof wel dat zij gelijke kansen zouden moeten hebben om op hoge posten blijk te geven van die eigenschappen.”
grappig détail: de uitgeverij is: OPZIJ
In dit deel ga ik in op de rode draden die vanuit de sleutelfiguur in mijn leven lopen: mijn moeder, engel en soms feeks.
Onlangs vertelde mijn oom George, de jongere broer van mijn moeder, dat ‘Tineke’ (mijn moeder heette Christine) als kind al hele gezelschappen bezig hield of wilde houden met verhaaltjes en liedjes. Het stond hem niet meer helder voor de geest of haar voorstellingen van talent getuigden, maar het zei mij wel iets. Mijn moeder eiste veel aandacht op. Met het ouder worden steeds meer en niet alleen als ‘entertainer’. Toen mijn vader stierf, was mijn moeder achtentwintig en trok ze al het verdriet naar zich toe. Niets kon erger zijn dan wat zij doormaakte. Ze trok daarmee een vacuüm in ons huis, dat toch al een mortuarium was waarin zij zich afsloot. Het was alsof ik geen enkel gevoel meer kon ervaren, behalve ademnood. Iedere dag had ik aanvallen van hyperventilatie en iedere nacht droomde ik dat mijn moeder werd ontvoerd of vermoord. Een psycholoog vroeg me vijfenvijftig jaar later of ik die dromen wellicht had gehad, omdat ik kwaad op haar was geweest. In mijn beleving was het veel eenvoudiger: zonder haar (ook al gaf ze mij geen teken van leven) was ik echt alles kwijt geweest. Dat was mijn verklaring als kind al voor de nachtmerries die ik had. Ik kan nog steeds niets met de suggestie van de psycholoog. Ik weet dat mijn moeder me vreselijk heeft verwaarloosd, maar heb daar nooit bewust woede bij gevoeld. En wat mijn onderbewustzijn daarvan maakt? Zegt u het maar.
Iets wat vaker wordt gezegd over mensen van allerlei leeftijden is: “ach, zij/hij zoekt gewoon aandacht.”
Of je nu aandacht verlangt of geeft, het blijft gaan om een vorm van liefde, hetgeen de terloopse opmerking hierboven veel meer gewicht geeft. Natuurlijk zoeken mensen aandacht. Net als water en brood. Liefde, het smachten naar waardering, al die dingen behoren tot de eerste levensbehoeften. Daar waar iemand om extreem veel aandacht vraagt, kan er sprake zijn van een psychopathologie. De – in dit verband – meest voorkomende is de Theatrale persoonlijkheidsstoornis. Een beschrijving die de
Viersprong hanteert:
‘1. Kenmerken theatrale persoonlijkheidsstoornis Mensen met een theatrale persoonlijkheid voelen zich over het algemeen het prettigst wanneer ze in het middelpunt van de belangstelling staan. Wat de meeste mensen met deze stoornis niet van zichzelf weten, is dat dit komt omdat ze erg onzeker over zichzelf zijn en een grote behoefte hebben aan de bevestiging dat ze oké zijn. Op de omgeving komt iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis in eerste instantie vaak over als een spontaan, sociaal, charmant en aanwezig persoon. Soms krijgen mensen na een tijdje echter het gevoel dat degene met de theatrale persoonlijkheidsstoornis een rol speelt en nooit zijn ware aard laat zien. Mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis hebben de neiging om hun gevoelens flink aan te dikken en deze op een dramatische manier te brengen, terwijl het aan de andere kant ook wat oppervlakkig blijft. Zo zal iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis bijvoorbeeld gemakkelijk iemand kunnen omhelzen, terwijl hij of zij deze nauwelijks kent. En zo nadrukkelijk als de vreugde kan zijn, zo zwaar en meeslepend kan de somberheid of de teleurstelling zijn. Dit gebeurt vaak wanneer diegene niet in het middelpunt van de belangstelling staat en dus niet de bevestiging krijgt die hij of zij nodig heeft. Mensen met een theatrale persoonlijkheid zullen ook meer dan anderen flirten of seksueel getint gedrag laten zien. Dit kan overal gebeuren, flirten met de bakker, met de ober, met de groenteman, maar ook met mensen op straat of met collega’s. Soms kan het dus ook ongepast zijn. Het kost een hoop energie om steeds te zorgen dat je in het centrum van de aandacht staat. Hierdoor is er weinig energie om stil te staan bij wat je zelf nou eigenlijk echt voelt of je te verplaatsen in anderen. Dit maakt het hebben van een echte intieme relatie extra moeilijk. Wanneer iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis niet de aandacht krijgt die hij of zijn nodig heeft, levert dit veel stress op. Mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis hebben dan ook vaak stress gerelateerd lichamelijke klachten of angststoornissen. Mensen met deze stoornis hebben ook vaker dan anderen een somatisatiestoornis, waarbij ze een lange ziektegeschiedenis hebben met veel klachten, die medisch niet helemaal te verklaren zijn. Verder kunnen ze last hebben van somberheidklachten.
2. Hoe ontstaat een theatrale persoonlijkheidsstoornis? Uit onderzoek blijkt dat 1,3% tot 3% van de bevolking een theatrale persoonlijkheidsstoornis heeft. Over hoe een theatrale persoonlijkheidsstoornis zich ontwikkelt, is nog weinig bekend. Het gaat waarschijnlijk om een ingewikkelde mix van een aantal factoren die op elkaar inspelen. Hoe dit gaat, is voor iedere mens anders. Iedereen wordt geboren in een ander lichaam en met een ander temperament (je aangeboren sterke kanten en kwetsbaarheden). Uit wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat de aanleg voor de theatrale persoonlijkheidsstoornis voor een deel erfelijk lijkt. Ook zal een van nature ‘open’ karakter, eerder neigen tot uitbundig gedrag dan mensen die van nature meer gesloten en verlegen zijn. Zeker als dit gepaard gaat met uiterlijke aantrekkelijkheid, waarbij mensen eerder belangstelling van anderen zullen krijgen dan mensen die minder aantrekkelijk zijn. Het verlangen om opgemerkt te worden en de aandacht van andere mensen te trekken is natuurlijk normaal. Bij de theatrale persoonlijkheidsstoornis is dit verlangen naar aandacht echter zo extreem dat het onverzadigbaar wordt. Hoe dit extreme verlangen zich verder ontwikkelt, is afhankelijk van de ervaringen die je in het leven opdoet en de omstandigheden waarin je opgroeit. Zo weten we bijvoorbeeld dat veel mensen met een theatrale persoonlijkheidsstoornis vaak opgegroeid zijn in een omgeving die onvoldoende veilig was, bijvoorbeeld omdat ouders te weinig in de gaten hadden wat het kind nodig had. Ook weten we dat een groot deel van hen een depressie in hun kindertijd heeft gehad. 3. Hoe wordt een theatrale persoonlijkheidsstoornis bij de Viersprong vastgesteld? Naast het voeren van een of meerdere gesprekken met een deskundige, worden ook een interview en verschillende vragenlijsten afgenomen. Op deze manier kan de deskundige een zo compleet mogelijk beeld krijgen van de patiënt en zijn problematiek. Dat wil zeggen van de klachten, de problemen en de achtergrond. Bij iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis vallen vaak het eerst de opvallende expressie (in taal en kleding bijvoorbeeld) en het zoeken naar aandacht op. En wanneer deze overdadige behoefte aan aandacht niet wordt vervuld, wordt hij of zij vaak onzeker, kwaad of zelfs somber. De uiteindelijke diagnose wordt vastgesteld volgens de richtlijnen die binnen de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) gelden.
Op dit moment wordt binnen de GGZ voor de diagnose van persoonlijkheidsstoornissen gebruik gemaakt van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, in het kort de DSM IV-TR (American Psychiatric Association [DSM-IV-TR], 2000). Dit is internationaal gezien het meest gebruikte classificatiesysteem voor het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen. In de Viersprong wordt hiervoor gebruik gemaakt van een interview dat de criteria van de DSM IV-TR uitvraagt. Dit is de meest betrouwbare manier om persoonlijkheidsstoornissen vast te stellen. Wanneer een theatrale persoonlijkheidsstoornis wordt vastgesteld, past de problematiek in onderstaande omschrijving van de DSM-IV-TR. 4.
Officiële criteria theatrale persoonlijkheidsstoornis (DSM-IV-TR) Een diepgaand patroon van buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diversie situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
• voelt zich niet op zijn gemak in situaties waarin hij niet in het centrum van de belangstelling staat.
• de interactie met anderen wordt vaak gekenmerkt door onaangepast seksueel verleidelijk of uitdagend gedrag.
• toont snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen.
• maakt voortdurend gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht op zichzelf te vestigen.
• heeft een manier van spreken die uitermate impressionistisch is en waarbij details ontbreken.
• toont zelf-dramatiserende, theatrale en overdreven uitingen van emoties.
• is suggestibel, dat wil zeggen gemakkelijk beïnvloedbaar door anderen of de omstandigheden.
• beschouwt relaties als meer intiem dan deze in werkelijkheid zijn.
Het nadeel van dergelijke criteria is dat ze rigide zijn. Een leek kan er misbruik van maken. In een van mijn eerste ‘Mag ik mens zijn’ – afleveringen geef ik bijvoorbeeld al aan dat het woord narcist te snel wordt gehanteerd als scheldwoord, zonder dat de gebruiker enige notie heeft van de diepere, ernstige betekenis.
Persoonlijkheidsstoornissen zijn er vooral in gradaties. Soms vertoont men er slechts een paar trekken van of heeft men een lichte of zware vorm. In mijn moeders geval was er soms tijdenlang niets aan haar te merken qua theatraal gedrag.
Ook haar seksualiteit viel mij nooit op als een instrument dat ze gebruikte. Ze was een prachtige vrouw. Ze had een beeldschoon gezicht, een heel mooi, vrouwelijk figuur met grote borsten. Een ‘seksbom’. En ze flirtte nooit. Ze was tamelijk onschuldig in haar seksualiteit. Er was wel wat aan de hand op seksueel gebied. Ze achtervolgde mij jaar in jaar uit met het, destijds, fameuze onderzoek van Shere Hite:
De Amerikaanse feministe Shere Hite, bekend om haar onderzoek naar de vrouwelijke seksualiteit, is op 77-jarige leeftijd in Londen overleden.
Peter Giesen De Volkskrant, 10 september 2020, 23:05
Hite werd bekend door The Hite Report: A Nationwide Study of Female Sexuality. Van deze in 1976 verschenen studie werden wereldwijd 50 miljoen exemplaren verkocht. Op basis van een peiling onder 3.500 vrouwen schreef Hite onder meer dat veel vrouwen niet opgewonden raken van penetratie. Daardoor werd zij door sommige mannen als ‘anti-man’ gezien. Playboy noemde haar boek The Hate Report. ‘Ik zei dat penetratie niet zo veel deed voor veel vrouwen, en daar werden sommige mensen heel boos over’, zei ze in 2011 in The Guardian.
Hite werd geboren in Missouri. Als student aan Columbia University in New York poseerde ze naakt voor Playboy en voor een advertentie voor een typemachine van Olivetti. Maar toen ze de tekst bij de foto las, ‘De typemachine is zo slim zodat zij het niet hoeft te zijn’, deed ze mee aan een feministisch protest tegen de advertentie.
‘Destijds was ik de enige seksonderzoeker die feminist was’, zei Hite later. Ze constateerde dat vrouwen veel gemakkelijker tot een orgasme kwamen door masturbatie dan door penetratie. Volgens haar kwam 70 procent van de vrouwen niet klaar door penetratie. Daarmee nam ze afstand van het werk van eerdere seksuologen als Kinsey, en Masters en Johnson, die volgens haar te veel uitgingen van een mannelijk perspectief.
Een man die een wat ruime ervaring heeft wat betreft seksuele contacten met vrouwen, zal de bevindingen van Shere Hite onderschrijven. Als jongetje had ik daar allemaal geen boodschap aan en ik wilde het al helemaal niet horen van mijn moeder. Er zat zelfs bitterheid in haar stem wanneer ze dingen zei als: “geen enkele man is ooit in staat geweest mij te bevredigen”. Ik moest aan al dat soort hysterie een plaats geven in mijn jonge bewustzijn, dus schoof ik het maar onder het tapijt, waar het accumuleerde tot een steeds grotere hoeveelheid onderdrukte woede en vaak ook verdriet. Laatstgenoemde emotie kwam weer ergens anders vandaan: het schoolplein waar ik werd buitengesloten en vernederd, omdat ik ‘anders’ was. Fysiek konden ze me niet de baas, dus werd het eenzame uitsluiting. Ook dat drukte ik weg.
De volgende rekensom is wellicht eenvoudig te maken: mijn moeder eiste na mijn vaders dood alle emoties op in huis. Op het schoolplein werden al mijn emoties of de schijn daarvan belachelijk gemaakt, dus daar was ook geen plaats voor.
Gezonde agressie (ook wel; ‘eros’ genoemd; ‘what’s in a name) is het uiten van driften. Het naar buiten werken daarvan. Boos zijn en dat tonen in daad of woord is er een, maar huilen is net zo goed een uiting van gezonde agressie, zeker wanneer dit met schokken en snikken gepaard gaat. Het ontspant het lichaam op manieren die op een andere manier niet of nauwelijks teweeggebracht kunnen worden. Om maar twee vormen te benoemen.
Onderdrukken we stelselmatig onze agressie, dan slaat deze om in agressie naar het zelf. De ‘eros’ gaat naar binnen en begint daar de boel te slopen. Zeer uitputtend en destructief. Dit verschijnsel noemen we ‘depressie’. Niet zo ingewikkeld hè, die dynamiek? Was het maar zo eenvoudig. Naast ons vermogen om wel of niet emoties te uiten, komen er nog meer factoren kijken bij agressie en depressie, maar voor mijn zelfonderzoek in ‘Wie ben ik’, volstaat dit voorlopig.
Wanneer ik naar mijn vaders stiltes, somberheid en vroege dood kijk, is het niet ondenkbaar dat er een depressieve component in zijn DNA opgesloten zat. Die kan ik geërfd hebben. Voeg daarbij het stelselmatig onderdrukken van al mijn emoties en mijn ontvankelijkheid voor depressie zal zich op enig moment hebben moeten manifesteren. De eerste kwam rond mijn achttiende. En daarna volgden, met enige regelmaat, depressieve episoden.
“Je bent gewoon depressief”, zei mijn toenmalige huisarts Eli Kant tegen me (ik mis hem nog steeds) en hij schreef me paroxetine voor. Ik was totaal niet medicijntrouw, had geen benul van depressie en liet het doosje onaangeroerd op mijn nachtkastje liggen.
Om dit hoofdstuk af te sluiten zeg ik alvast in het kort iets over de dynamiek tussen mij en mijn moeder die nog veel verder ging dan tot nu toe beschreven. Zo was haar erotiserende verschijning en luidruchtige aanwezigheid voor mij altijd een bron van gêne. Er kwam veel te veel aandacht op ons af en al snel was ik niet eens Meindert meer, maar de zoon van.
Mensen die mijn narcistisch of ijdel vinden, hebben geen idee van de schaamte die in mij heeft huisgehouden en waartegen ik me moest wapenen om niet voor een trein te stappen. Het was ondraaglijk om niemand te zijn. De zoon van. Het kind dat niet bestond toen zijn vader stierf en evenmin toen zijn moeder uit de as herrees. Maak mijn leven van begin tot eind maar eens door en vel dan opnieuw je oordeel, als je nog overeind staat.
“Mag ik mens zijn?” aflevering 30
‘Maar niemand die het benarrend zelf ontsnapt’ (J.J. Slauerhoff)
Als ik iets over ‘mij’ wil zeggen, begint het ermee dat ik een zee-kind ben, een dichter en een romanticus (iemand die weet dat hij een vorm van ‘volledigheid’ nastreeft die hem zal blijven ontgaan). Ik vergelijk mijzelf niet met Nederlands grootste dichter J.J. Slauerhoff (zie hieronder), maar identificeer mijzelf wel met zijn kijk op het bestaan. Hij doet me aan mijn vader denken die ook op ‘de hoge baren naar de oost’ voer en aan mijzelf. En daarmee maak ik slechts een begin met iets te schrijven over ‘wie ik ben’.
De Zee (J.J. Slauerhoff)
‘De zee, het eenige leven dat strekt
Van begin tot einde
Terwijl alle andre, voor kort gewekt,
Gedwee en weerloos verdwijnen –
Geeft in. eeuwige breking
De groote, zachte verzeekring
Dat, wanneer allen versterven, verstijven,
Zij bevallig zal blijven.
En als ik ga gehaast,
Genaderd en genaast
Door den jagenden dood,
Hoor ik den troost
Van ‘t eendre golfgeruisch,
Dat is als het vermengd gejuich
Van al haar schipbreuklingen, al haar meeuwen,
Aanbreken over de eeuwen,
Die mij verzwijgen en verteren.
Zij heeft geen andre vormen
Dan de borsten van haar golven,
En geen andre woorden dan de volle
Koren van haar branding en haar stormen.
Maar sidderend belijdt
Elk leven, hoe verfijnd
En schoon ‘t in ‘t licht verschijnt, ‘
En van dezelfde dichter:
‘Ik had het leven me anders voorgesteld (J.J. Slauerhoff)
‘IK had het leven me anders voorgesteld,
Meer als een spel van nauw betoomde krachten,
Van groote passies en vermetel trachten,
Den grooten trek, de worstling met geweld.
Geen vrouw is Venus en geen man is held,
En beiden trachten zij elkaar te pachten,
En geen van beide’ is ooit een dag bij machte,
Te leven door klein euvel ongekweld.
Men wil, bij ‘t sneller omgaan van de jaren,
Zich graag voorgoed een ander wezen paren
En veel dat min is en gemeen verstoren.
Maar niemand die ‘t benarrend Zelf ontsnapt,
En breken moet die droom van ridderschap.
Men strijdt niet meer met wapens, maar met woorden.’
Voortbordurend op de ontstaansgeschiedenis van onze individualiteit, kan ik zeggen dat mijn vaders voorouders uit de omgeving van Bielefeld (Duitsland) kwamen. Drie broers die wilden ontsnappen aan de schaarste, de armoede en de hopeloosheid van hun streek. Ze togen met zijn drieën naar Groningen waar ze na niet al te lange tijd afscheid van elkaar namen. Hartverscheurend lijkt me dat, maar dat soort informatie is niet te achterhalen. Één broer vertrok naar Amerika, één naar Australië en mijn overgrootvader Curd Inderwisch besloot zijn geluk te beproeven in Nieuweschans. In een filmpje sta ik als blond peutertje naast hem in zijn moestuin. Hij verroert zich niet, maar lacht plichtsgetrouw naar de lens. Het idee dat mijn vader bewegende beelden van hem maakte, kwam niet in hem op, dus bleef hij stokstijf staan om de foto niet te verpesten. We wisten allebei van niets waar het elkaar betrof. Misschien wisten we überhaupt van niets.
Mijn vaders vader, naar wie ik vernoemd werd, trouwde met een Duitse boerin. Zij heette Anna, was doof aan beide oren en had een aandoening waardoor haar benen altijd tot het uiterste opgezet waren. Ze doeg orthopedische schoenen. Ze was lief, maar woonde ver weg en reizen naar Groningen en Vlissingen werd door ons allemaal wat ontzien. Er is zoveel wat ik haar nu zou willen vragen, maar zij en alle getuigen van haar bestaan zijn reeds lang geleden gestorven. Haar broers werden door de Nazi’s van de boerderij geplukt en naar het oostfront gestuurd. Onervaren als soldaten, hadden ze geen schijn van kans tegen het Rode Leger. Ze werden geïnterneerd in Russische kampen waar ze vijf tot tien jaar verbleven. Dit soort zaken heb ik verwerkt in mijn poëzie:
Mijn vaders moeder
Was Duitse
Ze zeulde haar opgezette
Afgetobde lichaam
Haar onbegrijpelijke taal
Haar doofheid
Haar orthopedische schoenen
Over het perron van Vlissingen
Naar mij toe
Een jongetje dat niets van haar blijdschap begreep
Mijn moeder nam me mee
Naar Groningen
Wanneer mijn oma jarig was
Haar broers met hun bleekblauwe ogen
Boerenjongens door de nazi’s naar het ‘Ostfront’ gestuurd
Gevangen genomen door de Russen
Jaren in de rode krijgsgevangenkampen
Roemloos teruggekeerd
Toonden mij hun onuitwisbare stilte
Schaamte rookt sigaren en drinkt Schnapps
Schaamte heeft de lichtste blauwe ogen
Schaamte delegeert de Übermensch aan een jongetje van acht
Het spijt me oma
Lieve Duitse oma
Het spijt me zo oorverdovend laat
Wat een verhalen en geschiedenis heb ik daar al laten liggen, verwaarloosd, onbelangrijk geacht. En dat voor een dichter en schrijver. Spijt. Bij het schrijven van mijn ‘genogram’, stuit ik op veel onwetendheid bij mijzelf. Onze familie is zo verspreid en klein in Nederland.
Hoe moet het geweest zijn voor mijn grootvader om met een Duitse getrouwd te zijn geweest in al die oorlogsjaren, tijdens het interbellum? Hoe moet het voor mijn vader zijn geweest om een ballon van een dove, Duitse moeder te hebben gehad, juist in die tijden. Mijn vader die in 1929 werd geboren en zo’n hoog IQ had (144), dat hij op kosten van de staat iedere studie mocht volgen die hij ambieerde. Aangevuld met kost en inwoning. Mijn vader koos een opleiding aan de Hogere Zeevaartschool in Vlissingen. Hij wilde weg uit het verstikkende van zijn geschiedenis. Hij had een vader verdragen die nooit iets zei, een moeder die niet uit haar woorden kwam en niets hoorde en een broer die hij een ontzettende lul vond ( en dat was het ook). Mijn vader heb ik zelf zo weinig gezien. Ik herinner me maar drie momenten die niet zijn gefilmd of gefotografeerd. Wanneer hij niet op zee was, ging hij met mijn moeder uit en sliep ik bij mijn grootmoeder. Net als zijn vader, was hij een gesloten, ernstige man. Zijn dood deed me niets. Hij was op zee en wanneer hij dat niet was, wist hij niet hoe zich aan mij kon hechten. Hij had het niet van thuis meegekregen. Mijn moeders pathologische rouw daarentegen (ze was een jaar onbereikbaar na zijn vroege dood) heeft mijn basisvertrouwen vernietigd. Alles in één keer verliezen wanneer je zeven bent, laat geen ruimte meer over om het leven vol verwachting tegemoet te zien. Niet dat ik een treurig kind was. Eerder een emotioneel onderdrukt en verwaarloosd kind dat er het beste van probeerde te maken. Zoals doorgaans gebruikelijk is, manifesteerden de grote klappen van dat trauma zich tijdens mijn adolescentie toen ik een generaliseerde angststoornis ontwikkelde als gevolg van het drinken. Ik bleek verslavingsgevoelig, hoewel drank me absoluut niet boeide. Ik dronk om bij mijn ‘peer group’ te horen, om mijn positie als alfamannetje te bekrachtigen. Ik had nooit behoefte aan drank omdat mijn moeder me zo vrij had opgevoed dat ik heel makkelijk contact maakte en geen sociale verkramping voelde. Ga maar naar sociale evenementen om gade te slaan hoe de mensheid ineens wel van gedachten blijkt te kunnen wisselen na de inname van wat alcohol. In ieder geval werd ik overdag geteisterd door paniekstoornissen (ontwenning) na jaren van fikse inname. Daaruit vloeiden mijn eerste depressies voort. Iedere minuut van de dag was ik verstijfd van een angst die geen gezicht had. Jaren aaneen. Het is niet ondenkbaar dat ik toen op een bewuster niveau beleefde wat ik als zevenjarig jongetje had geblokkeerd. Tot de dag van vandaag weet ik niets meer van dat ene jaar dat mijn vader stierf en mijn moeder gek werd van verdriet.
Wat heb ik op dit moment aan rode draden van mijn vaders kant? Dat zijn gezin van herkomst geen voeding gaf aan zijn uitzonderlijke gevorderde geest. Dat hij kwaad was daarom, zich doodeenzaam voelde en een studie en daaropvolgend beroep uitkoos dat hem zo ver mogelijk bij zijn afkomst zou wegvoeren. Hij kon eenzaamheid verdragen, omdat hij daar een overlevingsmechanisme op had ontwikkeld. Hij was bijvoorbeeld een atleet die alle sporten bedreef en maakte als zodanig contact met een buitenwereld die vol kleur, beweging én competitie was. Allemaal zaken die hij schromelijk miste in de ambiance of biotoop van het ouderlijk huis. Ditzelfde overlevingsmechanisme (dat meer nuances en vormen had dan ik op basis van zijn geschiedenis kan uitwerken) paste hij toe, wonend als student in Vlissingen, ver weg van zijn bakermat in het hoge noorden. Toen hij ging varen werd dat nog noodzakelijker. Mannengemeenschappen, lange tijd van huis, dagen, weken zonder land in zicht. Maar misschien was er, net als bij de sportverenigingen, de broederschap van mannen. Hij was zeer getalenteerd als schaker, maar bokste ook op dek met iedereen die de uitdaging opnam. Op de foto’s uit die tijd kun je zien dat er kameraadschap was en dat troost me, want – terwijl ik dit schrijf – begin ik met hem mee te voelen. En dat is een van de magische dingen die mij overkomen nu ik aan dit genogram werk. Iets begint mij te raken, ik ga herkenning ervaren en misschien wel meer verbondenheid dan ik had durven verwachten.
Geen aansluiting vinden, heel pregnant eenzaam zijn en er steeds weer iets op vinden om uit die kooi te breken zijn dingen die ik in mijzelf herken. Ik weet niet of ik ze van mijn vader heb of welk deel van hem en welk deel van mij is.
Hier houd ik het vandaag bij. Het huilen staat me nader dan het lachen. Ik wil dat gevoel nu de ruimte geven, want ik wil het doorgronden. Dat is een van de manieren om te komen bij de vraag: ‘Wie ben ik?’
“Mag ik mens zijn?” aflevering 29
Where do I begin To tell the story of how great a love can be The sweet love story that is older than the sea The simple truth about the love ‘one’ brings to me Where do I start’ (uit ‘Love story’, tekst Carl Sigman, muziek Francis Lai)
‘Onze grote liefde zijn wij zelf’: Meindert Inderwisch.
In het stuk dat ik gisteren plaatste (of eergisteren tegen de tijd dat dit klaar is), gaf ik aan hoe ongewoon het is voor het merendeel van de mensen om na te denken over wie ze in de kern van hun persoonlijkheid zijn. Je kunt in datzelfde stuk lezen welke mogelijke redenen ik daarvoor heb genoemd. Ook beloofde ik een aantal instrumenten aan te reiken om je op weg te helpen, mocht je nieuwsgierig zijn naar jezelf.
Ik heb daar vandaag over nagedacht en zal dat blijven doen, want er is altijd iets van de boodschappenlijst dat toch niet in mijn karretje belandt. Wellicht handig om aan te vangen bij het begin. Om dat grondig te doen, kun je een aantal zaken op familiair niveau uitwerken.
In het jargon wordt de term ‘genogram’ gebruikt om de familieachtergronden van drie tot vier generaties in kaart te brengen. Ik citeer:
‘Een familie kan in kaart gebracht worden met behulp van een genogram. Een genogram is een stamboom met meerdere persoonlijke gegevens. Het is een kaart met drie of vier generaties en hun onderlinge relaties: de voorgaande generatie(schoon-)ouders, de generatie waartoe de bewoner behoort met de broers en zusters en eventueel zwagers en schoonzussen. De derde en eventueel vierde generaties betreft het nageslacht: (klein-)kinderen en eventueel (achter)neven en (achter)nichten Ook belangrijke familiegebeurtenissen, sterfgevallen, verhuizingen en verbroken contacten kunnen hierin worden opgenomen. Een genogram laat de kalender spreken.’
Bovenstaand citaat dank ik aan het Expertisecentrum Mantelzorg. Hoe zo’n ‘genogram’ er daadwerkelijk uitziet, vind je via de volgende link.
https://www.zorgvoorbeter.nl/…/mantelzorg/genogram.pdf
Het loont de moeite om wat ‘stambomenwerk’ te verrichten. Niets is zo behulpzaam in zelfonderzoek als wetende (en soms ‘helpende’) getuigen. Probeer te achterhalen via broers, zussen, ouders, grootouders, vrienden van familieleden, mensen die jou als kind hebben gekend welke informatie er beschikbaar is. Als je van thrillers houdt of andere literatuur waarbij gezocht wordt naar een onderliggende samenhang die raadsels of vitale informatie aan het licht brengt, beschik je waarschijnlijk over het soort nieuwsgierigheid die ervan geniet logica te distilleren uit wat daarvoor nog chaos leek. En geloof maar dat er dingen boven water komen in een genogram die zaken aan het licht brengen of duidelijkheid scheppen. Dingen die logische verbanden aantonen die je ineens duidelijk kunnen maken waarom een bepaalde tak van de familie wel erg vaak getroffen is door bepaalde aandoeningen en de vraag kan opwerpen of jij daar ook niet een ‘vleugje’ van hebt meegekregen.
En er zijn ook misverstanden mogelijk die aandacht behoeven. Zo is het ‘verslavingsgen’ nog niet ontdekt, maar nemen veel mensen aan dat het veelvuldig voorkomen van alcoholisme binnen een familie een genetische oorzaak heeft. Ze verkondigen dan feitelijk dat het D.N.A. in de familie van een dergelijke samenstelling is, dat er bijna geen ontkomen is aan de destructieve liefde voor een verdovend middel. De wetenschap heeft dit echter nog steeds niet aangetoond. Aan de andere kant van het spectrum zouden we net zo goed kunnen stellen dat er in bepaalde families een ‘aanleg’ voor angststoornissen en/of depressies als een rode draad door alles heen loopt. Het is zonde van de moeite om te speculeren over ‘nature or nurture’, wanneer nog lang niet alle nodige gegevens beschikbaar zijn. Het kan volstaan om te doorzien wat de rode draden zijn en wat hun invloed is op de dynamiek van de familieleden en generaties. Veel van die leidraden, berusten niet op toeval en daar kun je wijzer door worden. Maar laat je gedachten niet verzanden in wat genetisch is overgedragen en wat cultureel is doorgegeven (bij cultureel moeten we denken aan opvoeding, omgeving, omstandigheden). Dat leidt de aandacht af van wat wel voorradig en toegankelijk is.
Als je denkt: ‘Ik wil nu de antwoorden en ik heb geen zin in al dat graafwerk’, kan het zijn dat je het kind in jou de macht geeft. Net als bij verslaafden het geval is, werkt het bij het kind als volgt: ‘Ik wil het hier en ik wil het nu.’
Volkomen begrijpelijk. Het kind is niet doordrongen van enige noodzaak buitenom de eerste levensbehoeften. Wanneer jij, lezer, liever de tuin gaat harken of gaat ‘karten’ met je vrienden, leef je vooral uit. Mensen die het belang niet ervaren zichzelf te doorgronden, gun ik werkelijk het allerbeste. De meesten van ons gaan naar het graf zonder ooit een notie te hebben gehad van wat hen bewogen heeft bepaalde levens te leiden en zijn er niet veel slechter afgekomen dan anderen.
Wanneer je echter op een dag merkt dat je blokkeert en werkelijk niet meer voor of achteruit kunt, wanneer je voor de zoveelste keer ellendig strandt in een relatie, wanneer bepaalde kwellingen zich maar blijven herhalen (de lijst van noodzaken tot zelfonderzoek is eindeloos), dan kan het zijn dat je hulp nodig hebt van iemand die kundig en betrokken met je meekijkt. Veel mensen zoeken het dan in ‘zelfhulpboeken’ , maar beseffen niet dat ze nog steeds met dezelfde geblokkeerde visie aan het lezen slaan. Kansloze missie. Een van de redenen dat de handel in zelfhulpboeken zo welig tiert, is de ontzettende angst onder de Nederlandse bevolking om gestigmatiseerd te raken. Dus liever anoniem achter de geraniums uitzoeken waarom je steeds claustrofobischer wordt door de (tijdelijke) beperkingen van je geest, dan volkomen anoniem bij een psychotherapeut langs te gaan. Laatstgenoemde zorgverleners hebben een beroepsgeheim, dus die gaan niet – toegerust met een megafoon – door je buurt lopen en roepen dat je een psychopathologisch wrak bent. En wanneer je bij hen aanbelt is dat doorgaans op een non-descripte plek waar geen alarmbellen afgaan, jouw naam niet in gigantische neonletters op de voorgevel aan- en uitflitst en andere ‘betrapmomenten’ zich voor zullen doen.
Is dit het instrument dat ik aanreik waar het zelfonderzoek betreft? Daar zou ik je mee tekortdoen. Helaas of gelukkig gaan er nog meer afleveringen volgen in deze reeks: ‘Wie ben jij?’
Wellicht tot de volgende keer.
“Mag ik mens zijn?” aflevering 28
Deze week zat ik met een jonge vrouw op het terras en we hadden het over identiteit. Ze zei: “Als iemand mij vraagt: ‘wie ben jij?’ heb ik daar geen pasklaar antwoord op. Ik heb liever dat ze hun vragen gerichter stellen; niet zo algemeen.” Ik was aangenaam verrast door wat ze beschreef. Zo lucide iets benoemen vanuit de eigen waarneming in het contact.
We bespraken of mensen überhaupt in staat zijn om antwoord te geven op de vraag: “Wie ben jij?”
In een cultuur waarin zelfexpressie vaak papegaaientaal: het uitbraken van gewenste teksten, is geworden, is het zeldzaam om iemand te treffen die iets over zichzelf kan zeggen dat volstrekt op eigen wijze is geformuleerd. De boodschap van de tekst nog daargelaten. Het willen vormgeven aan de eigen identiteit in alledaagse woorden en ieder cliché daarbij vermijden, is een kunst. Het vereist een zeer vaardig bespelen van het instrument taal, waarbij gedachte en emotie elkaar bijna ongezien langs de valse noten moeten leiden.
Voordat ik mensen van mij vervreemd of nog verder wegjaag met mijn terminologie, mijn pogingen om wat wezenlijk is in taal te vervatten, wil ik graag zeggen dat het er niet om gaat om intellectuele volzinnen te produceren bij het omschrijven van het ‘zelf’, datgene wat ons zowel uniek als verbonden maakt. Het gaat erom dat we pogen om tot de kern door te dringen van wie we zijn en het werkt simpelweg averechts wanneer we modetermen gebruiken. Het ‘zelf’, net als de vraag “Wie ben jij”, is tijdloos.
Virtuositeit in woordgebruik is niet waar het om gaat. De noodzaak ervaren heel specifiek naar je ‘zelf’ te kijken is essentieel. Daarvoor is moed nodig en ook een indringende nieuwsgierigheid om te achterhalen waar je uit opgebouwd bent.
In therapie stel ik mensen vaak de vraag: “Ben je nieuwsgierig naar jezelf?” De meesten maken dan een wat ontredderde indruk. In de eerste plaats heeft niemand ze ooit eerder hiernaar gevraagd, in de tweede plaats hebben ze vaak betrekkelijk weinig aan zelfbespiegeling gedaan. Niet omdat ze tegenzin hebben ervaren, maar eerder omdat ze niet zijn opgevoed in het nadenken over de eigen identiteit. Waarom is dat niet gebeurd? Omdat we, net als de meeste volkeren geknecht zijn en men van ons verlangt dat we aangepast gedrag vertonen. Daar valt zelfreflectie ‘nog’ niet onder.
De vraag “Wie ben ik” te durven stellen aan onszelf, draagt het gevaar in zich dat we vervreemden van de kudde. Een niet te onderschatten angst maakt zich dan meester van de mens die zich schaart onder de grote, gemene deler. Zoals het Engelse gezegde luidt: “There is safety in numbers”.
Het is veel te makkelijk om mensen te duiden als volgers van de ‘kuddegeest’. Het doet hen geen recht en het vervreemdt opnieuw het individu van de massa. Tot welke groep je ook meent te behoren.
Een volgende keer wil ik graag wat manieren aanreiken om tot een dieper antwoord te kunnen komen op de vraag “Wie ben ik?”.